FOURTH

Van Martine de Jong naar Annechien Verhey

‘Niets mooiers onder de zon dan onder de zon te zijn…’

AAN DE ZON

Mooier dan de opmerkelijke maan en haar geadelde licht,
Mooier dan de sterren, de beroemde ordetekens van de nacht,
Veel mooier dan de vurige verschijning van een komeet
En tot veel mooiers opgeroepen dan elk ander gesternte,
Omdat jouw en mijn leven elke dag aan haar hangt, is de zon.

Mooie zon, die opgaat, haar werk niet vergeten is
En beëindigt, het mooist in de zomer, als een dag
aan de kusten verdampt en zonder kracht gespiegeld de zeilen
Over je oog trekken, tot je moe wordt en het laatste bekort.

Zonder de zon neemt ook de kunst weer de sluier aan,
Jij verschijnt me niet meer, en de zee en het zand,
Door schaduwen gegeseld, vluchten onder mijn ooglid.

Mooi licht, dat ons warm houdt, behoedt en er wonderbaarlijk voor zorgt
Dat ik weer zie en dat ik jou weerzie!

Niets mooier onder de zon dan onder de zon te zijn…

Niets mooier dan de staf in het water te zien en de vogel boven
Die zijn vlucht beraamt, en beneden de school vissen,
Gekleurd, gevormd, ter wereld gekomen met een zending van licht,
En de omgeving te zien, het vierkant van een veld, mijn duizendhoekige land
En het gewaad dat je draagt. En je gewaad, klokkend en blauw!
Mooi blauw, waarin de pauwen rondstappen en zich buigen,
Blauw van de verten, van de zones van het geluk met weer voor al mijn
stemmingen,
Blauw toeval aan de horizon! En mijn geestdriftige ogen verwijden zich weer en
schitteren en branden van pijn.

Mooie zon, die van het stof nog de grootste bewondering verdient,
Daarom zal ik niet omwille van de maan en de sterren en niet
Omdat de nacht met kometen praalt en in mij een nar zoekt,
Maar omwille van jou en spoedig zonder ophouden en als om niets anders
Weeklagen over het onafwendbaar verlies van mijn ogen.

Uit: ‘Aanroeping van de Grote Beer’ gedichten van Ingeborg Bachmann